1 .7

Postmodernisme in zijn hemd 22

Bespreking van Intellectual Impostures door Alan Sokal en Jean Bricmont

Stel, je bent een intellectuele bedrieger die niets te zeggen heeft, maar wel een sterke ambitie heeft om in het academische leven te slagen, om een kring van leerlingen om je heen te verzamelen die naar je opkijken en om te weten dat studenten over de hele wereld de door jou geschreven bladzijden met een respectvol gehanteerde markeerpen verluchten. Wat voor literaire stijl zou je dan cultiveren? Zeker geen doorzichtige, want helderheid zou je gebrek aan inhoud aan het licht brengen. Er is een goede kans dat je iets zou produceren als het volgende:

We kunnen duidelijk zien dat er geen bi-univocale relatie bestaat tussen lineaire betekenisverlenende koppelingen of archi-schriftuur, afhankelijk van de schrijver, en deze multireferentiele, multidimensionele machinale katalyse. De schaalsymmetrie, de transversaliteit, het pathische niet-discursieve karakter van hun uitbreiding
- al deze dimensies verwijderen ons van de logica van het uitgesloten midden en versterken ons in onze afwijzing van het ontologische binarisme dat we hierboven onder kritiek hebben gesteld.

Dit is een citaat van de psychoanalyticus Felix Guattari, een van de vele modieuze Franse 'intellectuelen' die door Alan Sokal en Jean Bricmont op hun nummer worden gezet in hun schitterende boek Intellectual Impostures , dat een sensatie veroorzaakte toen het in 1997 in Frankrijk verscheen en sinds 1998 in een volledig herschreven en herziene Engelse editie beschikbaar is. Guattari gaat in deze trant nog eindeloos door en biedt ons, naar de mening van Sokal en Bricmont, 'de meest briljante mengeling van wetenschappelijk, pseudo-wetenschappelijk en filosofisch jargon die we ooit zijn tegengekomen'. De naaste medewerker van Guattari, wijlen Gilles Deleuze, hield er een soortgelijke stijl van schrijven op na:

In de eerste plaats corresponderen singulariteiten met heterogene reeksen die georganiseerd worden tot een systeem dat stabiel noch onstabiel is, maar eerder 'metastabiel', en voorzien is van een potentiele energie waarin de verschillen tussen reeksen verdeeld zijn [...] In de tweede plaats bezitten singulariteiten een proces van auto-unificatie, altijd van een beweeglijk karakter en verplaatst in zoverre een paradoxaal element de reeksen doorkruist en ze doet resoneren, waarbij de overeenkomstige singuliere punten worden opgenomen in een enkel aleatorisch punt en alle emissies, alle worpen met de dobbelsteen, in een enkele worp.

Dit brengt Peter Medawars eerdere karakterisering van een bepaald type Franse intellectuele stijl in herinnering (let intussen op de tegenstelling die wordt opgeroepen door het elegante en heldere proza van Medawar zelf):

Stijl is een voorwerp van primair belang geworden, en wat is het een opmerkelijke stijl! Het is een stijl die met hoog opgegooide benen voorbijparadeert, vol eigenwaan, wel verheven, maar dan op de manier van een balletdanser, en die van tijd tot tijd in een bestudeerde houding stilhoudt, als in afwachting van een open doekje. Hij heeft een betreurenswaardige uitwerking op de kwaliteit van het moderne denken [...]

Medawar bestookt dezelfde doelen ook vanuit een andere hoek:

Ik kan gegevens aandragen over het begin van een fluistercampagne tegen de deugden van helderheid. Een schrijver over het structuralisme heeft in het Times Literary Supplement de suggestie gedaan dat gedachten die vanwege hun diepgang verward en verwrongen zijn het best kunnen worden uitgedrukt in proza dat opzettelijk onhelder is. Wat een bespottelijk idee! Het doet me denken aan een blokhoofd van de luchtbescherming in Oxford tijdens de oorlog die ons, als de verduistering door een heldere maan tenietgedaan leek te worden, de raad gaf om een zonnebril op te zetten. Maar die man bedoelde het als een grap.

Dit komt uit Peter Medawars lezing uit 1968 over 'Wetenschap en literatuur', die herdrukt is in Pluto's Republic . 23 Sinds de dagen van Peter Medawar is de fluistercampagne luidruchtiger geworden.
Deleuze en Guattari hebben, ieder apart en gezamenlijk, boeken geschreven die door de vermaarde Michel Foucault worden omschreven als 'onder de allergrootste misschien zal deze eeuw eens de eeuw van Deleuze worden.' Sokal en Bricmont merken echter het volgende op:

Deze teksten bevatten een handjevol begrijpelijke zinnen [...] soms banale, soms foutieve - en we hebben sommige daarvan in de voetnoten van commentaar voorzien. 
Voor het overige laten we het oordeel aan de lezer.

Maar dat vraagt wel veel van de lezer. Zonder twijfel bestaan er gedachten van een zodanige diepgang dat de meesten van ons de taal waarin ze worden uitgedrukt niet zullen begrijpen. En ongetwijfeld bestaat er ook een taal die bedoeld is om onbegrijpelijk te zijn teneinde een gemis aan eerlijk denkwerk te bemantelen. Maar hoe komen we achter het verschil? Hoe zou het zijn als er werkelijk een deskundig oog nodig is om te ontdekken dat de keizer geen kleren draagt? En in het onderhavige geval: hoe komen we te weten of de modieuze Franse 'filosofie', waarvan de discipelen en exponenten zich nagenoeg van grote delen van het academische leven in Amerika meester hebben gemaakt, werkelijk diepzinnig is of niet meer dan de loze retoriek van kwakzalvers en charlatans?

Sokal en Bricmont zijn hoogleraren in de natuurkunde, respectievelijk aan de Universiteit van New York en de Universiteit van Leuven. Ze hebben hun kritiek beperkt tot boeken die zich hebben verstout een beroep te doen op begrippen uit de natuurkunde en de wiskunde. Bij die boeken weten ze waar ze het over hebben en hun oordeel is ondubbelzinnig: bijvoorbeeld over Lacan, wiens naam bij de menswetenschappen in Amerikaanse en Britse universiteiten door velen wordt vereerd, ongetwijfeld omdat hij voorgeeft een diepgaand begrip van de wiskunde te hebben:

Hoewel Lacan aardig wat sleuteltermen uit de wiskundige compactheidstheorie gebruikt, haalt hij ze willekeurig door elkaar en zonder de minste egards voor hun betekenis. Zijn 'definitie' van compactheid is niet zozeer foutief, het is gebazel.

Ter illustratie citeren ze de volgende opmerkelijke redenering van Lacan:
Door die betekenisverlening volgens de hier gebruikte algebraische methode te berekenen, namelijk

S (betekenaar)

----------------- = s (de uitspraak)

s (betekende)

Als S = (-1), levert dit dus als uitkomst op: s = -1.

Je hoeft geen wiskundige te zijn om te zien dat dit belachelijk is. Het doet denken aan de figuur van Aldous Huxley, die het bestaan van God bewees door nul door een getal te delen en zo op oneindig uit te komen. In een aansluitend stukje redenering, dat het genre perfect typeert, komt Lacan tot de conclusie dat het erectiele orgaan


[...] gelijkstaat aan -1 van de hierboven geproduceerde betekenisverlening, van de jouissance die het herstelt door de coefficient van zijn bewering met betrekking tot de functie van het ontbreken van een betekenaar (-1).

We hebben de wiskundige expertise van Sokal en Bricmont niet nodig om ervan overtuigd te raken dat de auteur van deze zinsnede een bedrieger is. Is hij dan misschien oprecht als hij over niet-wetenschappelijke onderwerpen praat? Maar een filosoof die erop wordt betrapt dat hij het erigeerbare orgaan gelijkstelt aan de vierkantswortel van - 1 heeft, in mijn ogen, zijn geloofwaardigheid verspeeld als het aankomt op dingen waar ik op mijn beurt niets vanaf weet.
De feministische 'filosoof' Luce Irigaray is een andere figuur die van Sokal en Bricmont een heel hoofdstuk toegemeten krijgt. In een passage die herinnert aan een beruchte feministische beschrijving van Newtons Principia (een 'handleiding voor verkrachting'), betoogt Irigaray dat E = mc 2 een 'geseksualiseerde vergelijking' is. Waarom? Omdat 'hij de lichtsnelheid bevoorrecht boven andere snelheden die voor ons van vitaal belang zijn' (mijn cursivering dient om het woord aan te geven dat ik snel als een cult-term heb leren zien). Al even kenmerkend voor deze manier van denken is de stelling van Irigaray over vloeistofmechanica. Vloeistoffen zijn namelijk op een oneerlijke wijze veronachtzaamd. De 'mannelijke natuurkunde' bevoorrecht stijve, vaste stoffen. De Amerikaanse vertolkster van Irigaray, Kathrine Hayes, maakte de fout om de gedachten van Irigaray in (betrekkelijk) heldere taal uit te drukken. Zo wordt ons een keer een redelijk onbelemmerde blik op de keizer gegund, en hij heeft inderdaad geen kleren aan:

De bevoorrechting van vastestof- boven vloeistofmechanica, en het bredere onvermogen van de natuurwetenschap om uberhaupt vat te krijgen op turbulente stromingsprocessen, worden door haar toegeschreven aan de associatie van vloeibaarheid met vrouwelijkheid. Terwijl mannen seksuele organen hebben die vooruitsteken en stijf worden, hebben vrouwen openingen waaruit menstruatiebloed en vaginaal vocht lekken [...] Vanuit dit perspectief is het geen wonder dat de natuurwetenschap niet in staat is gebleken om een bevredigend model van turbulentie op te stellen. Het probleem van turbulente stroming kan niet worden opgelost omdat de opvattingen over vloeistoffen (en over vrouwen) zodanig zijn geformuleerd dat ze onvermijdelijk ongedefinieerde resten overlaten.

Je hoeft geen natuurkundige te zijn om de halfgare absurditeit van dit soort redeneringen te doorzien (de toon ervan is intussen maar al te vertrouwd geworden), maar het helpt om Sokal en Bricmont bij de hand te hebben om ons de werkelijke reden te vertellen waarom turbulente stroming een lastig probleem is (de Navier-Stokes-vergelijkingen zijn moeilijk op te lossen).

Op een soortgelijke manier stellen Sokal en Bricmont Bruno Latours verwarring van relativiteit met relativisme, Lyotards 'postmoderne natuurwetenschap' en het wijdverbreide en voorspelbare misbruik van het theorema van Godel, de kwantumtheorie en de chaostheorie aan de kaak. De beroemde Jean Baudrillard is slechts een van de velen die de chaostheorie een handig middel vinden om lezers om de tuin te leiden. Ook in dit geval zijn Sokal en Bricmont ons behulpzaam door de gebezigde trucs te ontrafelen. Volgens hen heeft de volgende zin, 'hoewel met een wetenschappelijke terminologie opgebouwd, vanuit een wetenschappelijk gezichtspunt [...] geen betekenis':

Misschien moet de geschiedenis zelf als een chaotische formatie worden opgevat, waarin acceleratie aan de lineariteit een eind maakt en de door de acceleratie opgewekte turbulentie de geschiedenis definitief van zijn bestemming doet afwijken, net zoals zulke turbulentie effecten van hun oorzaken verwijdert.

Ik stop hier met citeren, want zoals Sokal en Bricmont aangeven, 'bouwt' de tekst van Baudrillard 'geleidelijk een crescendo van onzin op'. Ze vragen opnieuw onze aandacht voor 'de hoge dichtheid van wetenschappelijke en pseudo-wetenschappelijke terminologie - ingevoegd in zinnen die, voor zover we dat kunnen uitmaken, geen betekenis hebben'. Hun samenvatting van Baudrillard kan model staan voor alle auteurs die hier onder kritiek worden gesteld, en die in heel Amerika naar de ogen worden gezien:

Samenvattend vinden we in de werken van Baudrillard een overvloed van wetenschappelijke termen die worden aangewend met een volstrekte veronachtzaming van hun betekenis en, vooral, in een context waarin ze duidelijk irrelevant zijn. Ongeacht of we ze al dan niet interpreteren als metaforen, is het moeilijk in te zien welke rol ze zouden kunnen vervullen, behalve om aan afgezaagde opmerkingen over sociologie of geschiedenis de schijn van diepzinnigheid te geven. Bovendien wordt de wetenschappelijke terminologie vermengd met een niet-wetenschappelijk vocabulaire, dat al even slordig wordt gehanteerd. Alles welbeschouwd kan men zich afvragen wat er van de gedachten van Baudrillard zou overblijven als de verbale vernislaag die eroverheen is gelegd verwijderd zou worden.

Maar pretenderen de postmodernisten niet alleen dat ze 'spelletjes spelen'? Gaat het er in hun filosofie niet juist om dat alles moet kunnen, dat er geen absolute waarheid bestaat, dat alles wat geschreven is dezelfde status heeft, dat geen enkel gezichtspunt bevoorrecht is? Is het, gelet op hun eigen standaard van relatieve waarheid, niet een beetje onsportief om hun te verwijten dat ze woordspelletjes bedrijven en grapjes uithalen met hun lezers? Misschien is dat zo, maar dan blijf je wel zitten met de vraag waarom hun geschriften zo ontzettend saai zijn. Moeten spelletjes niet ten minste onderhoudend zijn, en niet plechtstatig en pretentieus? En nog onthullender: als ze alleen maar grappen maken, waarom reageren ze dan met zoveel ontsteltenis als iemand zich een keer op hun kosten vermaakt? Het boek Intellectual Impostures dankte zijn ontstaan aan een briljante grap van Alan Sokal, en het verbijsterende succes van zijn actie werd niet begroet met de schaterlach die je na zo'n staaltje van deconstructieve spelvreugde had mogen verwachten. Als je zelf het establishment bent geworden, is het kennelijk niet langer grappig als iemand de gevestigde windbuil doorprikt.

Zoals nu redelijk goed bekend is, zond Sokal in 1996 een artikel in naar het Amerikaanse tijdschrift Social Text onder de titel 'Over de grenzen: naar een transformatieve hermeneutiek van kwantumzwaartekracht'. Dit artikel bestond van begin tot einde geheel uit onzin. Het was een zorgvuldig opgetuigde parodie van het postmoderne metagebazel. Sokal was hiertoe geinspireerd door het boek Higher Superstition: The Academic Left and Its Quarrels With Science van Paul Gross en Norman Levitt. Dit is een belangrijk boek dat verdient in Engeland even bekend te worden als het in Amerika al is. Omdat hij nauwelijks kon geloven wat er in dit boek te lezen stond, ging Sokal de verwijzingen naar de postmoderne literatuur na, en hij merkte dat Gross en Levitt niet hadden overdreven. Hij besloot hier iets aan te doen. In de woorden van Gary Kamiya:

Iedereen die veel tijd heeft besteed aan het doorwaden van het vrome, versluierende jargon dat tegenwoordig doorgaat voor het 'nieuwe' denken in de menswetenschappen, wist dat het vroeg of laat zou gebeuren: dat een slimme academicus, gewapend met de onvoldoende beveiligde wachtwoorden, zoals 'hermeneutiek', 'trangressie', 'lacaniaans' en 'hegemonie', een volstrekt onzinnig artikel zou schrijven, dat naar een modieus tijdschrift zou sturen en het geaccepteerd zou krijgen. [...] Sokal gebruikt in zijn stuk alle vereiste termen. Hij citeert alle coryfeeen. Hij geselt de zondaren (blanken, de 'echte wereld') en looft de deugdzamen (vrouwen, de algemene metafysische waanzin). [...] En het is volstrekte, onversneden onzin
- een punt dat op de een of andere manier aan de aandacht van de verheven redactie van Social Text is ontsnapt. Die moeten op dit moment wel datzelfde gevoel van onpasselijkheid hebben als de Trojanen op de morgen nadat ze dat mooie grote paard dat ze cadeau hadden gekregen hun stad in hadden getrokken.

Het artikel van Sokal moet de redactie als een godsgeschenk zijn voorgekomen omdat het nu eens een natuurkundige was die precies datgene zei wat ze graag wilden horen en die uithaalde naar de 'postverlichtingshegemonie' en zulke achterhaalde denkbeelden als het bestaan van de werkelijke wereld. Ze hadden niet in de gaten dat Sokal zijn artikel ook had volgestopt met koeien van wetenschappelijke blunders, van een soort dat elke beoordelaar met een doctoraal natuurkunde onmiddellijk ontdekt zou hebben. Maar het artikel werd niet aan zo'n beoordelaar voorgelegd. De redactie, bestaande uit Andrew Ross en anderen, stelde zich ermee tevreden dat de ideologie van het artikel met de hunne overeenstemde en voelde zich misschien gevleid door de verwijzingen naar hun eigen werk. Dit schandelijke stukje redactiewerk leverde hun in 1996 de Nobelprijs voor literatuur op.

Ondanks het feit dat hun gezicht onder de struif zat en ondanks hun feministische pretenties zijn deze redacteuren op de academische baltsplek dominante mannetjes. Andrew Ross kan zich op zijn vaste aanstelling verlaten als hij lompe opmerkingen maakt als: 'Ik ben blij dat ik van die afdelingen voor Engelse taal- en letterkunde verlost ben. Ik heb bijvoorbeeld een afkeer van literatuur, en die afdelingen zitten meestal vol mensen die van literatuur houden'; en de ongelikte zelfgenoegzaamheid om een boek over natuurwetenschappelijke studies te beginnen met de woorden: 'Dit boek is opgedragen aan alle leraren in de natuurwetenschappen die ik nooit heb gehad. Het kon alleen zonder hen geschreven worden.' Hij en zijn medekopstukken van de 'culturele studies' en de 'natuurwetenschappelijke studies' zijn geen onschadelijke zonderlingen op derderangs colleges . Velen van hen hebben een vaste aanstelling als hoogleraar aan enkele van de beste universiteiten van Amerika. Dit soort mensen heeft zitting in benoemingscommissies en oefent macht uit over jonge academici die er misschien heimelijk naar streven om een fatsoenlijke academische loopbaan op te bouwen in de literatuurwetenschap of zoiets als antropologie. Omdat velen van hen me dat gezegd hebben, weet ik dat er op die universiteiten bonafide wetenschappers zitten die zich, als ze het aandurfden, wel zouden willen uitspreken maar die zo geintimideerd zijn dat ze hun mond houden. Hun zal Alan Sokal als een held voorkomen, en niemand met enig gevoel voor humor of rechtvaardigheid zal het daarmee oneens zijn. Hoewel het strikt genomen irrelevant is, helpt het overigens wel mee dat er op zijn linkse politieke geloofsbrieven niets aan te merken is.
In een gedetailleerde nabeschouwing over zijn beroemde grap, die Social Text niet wilde plaatsen en die dus elders verschenen is, merkt Sokal op dat zijn oorspronkelijke artikel naast talrijke halve waarheden, onjuistheden en ongerijmdheden ook enkele 'syntactisch correcte zinnen bevatte die helemaal niets betekenen'. Het spijt hem dat het er niet meer waren: 'Ik heb mijn uiterste best gedaan om ze te produceren, maar ben erachter gekomen dat ik daar, los van enkele zeldzame momenten van inspiratie, niet voor in de wieg ben gelegd.' Als hij zijn parodie op dit moment zou schrijven, zou hij zeker gebaat zijn bij een virtuoos computerprogramma van de hand van Andrew Bulhak uit Melbourne: de postmodernisme-generator. Elke keer dat je de site http://www.elsewhere.org/postmodern/ bezoekt zal deze, met een vlekkeloze grammaticale beheersing, voor jou spontaan een spiksplinternieuw postmodern betoog genereren dat niemand nog ooit onder ogen heeft gehad. Ik heb de site zonet bezocht en hij heeft me een artikel van 6000 woorden geleverd onder de titel 'Kapitalistische theorie en het subtekstuele paradigma van context' door 'David I.L. Werther en Rudolf du Garbandier van de vakgroep Engels aan de Universiteit van Cambridge'. (Hiermee wordt poetische gerechtigheid bedreven, want het was de Universiteit van Cambridge die het gepast achtte om Jacques Derrida een eredoctoraat te verlenen.) Hier volgt een kenmerkende zin uit dit hooggeleerde werk:

Wie de kapitalistische theorie onderzoekt, wordt geconfronteerd met een keuze: ofwel het neotekstuele materialisme verwerpen, ofwel concluderen dat de samenleving een objectieve waarde bezit. Als het dialectische desituationisme van kracht is, moeten we kiezen tussen habermasiaans discours en het subtekstuele paradigma van context. Je zou kunnen zeggen dat het subject wordt gecontextualiseerd tot een tekstueel nationalisme dat de waarheid als een werkelijkheid insluit. In zekere zin houdt de premisse van het subtekstuele paradigma van context in dat de werkelijkheid uit het collectieve onbewuste voortkomt.

Ziedaar de postmodernisme-generator. Hij is een letterlijk oneindige bron van willekeurig gegenereerde syntactisch correcte onzin, die alleen van het echte artikel onderscheiden kan worden doordat hij leuker is om te lezen. Je zou duizenden artikelen per dag kunnen genereren, stuk voor stuk uniek en gereed voor publicatie, compleet met genummerde eindnoten. Manuscripten kunnen, met een dubbele spatie en in drievoud, worden ingezonden aan het 'redactionele collectief' van Social Text .
Wat betreft de zwaardere taak om de geesteswetenschappen en de sociale wetenschappen weer voor echte beoefenaren terug te winnen hebben Sokal en Bricmont zich bij Gross en Levitt aangesloten om hiertoe een vriendschappelijke aanzet te geven uit de wereld van de natuurwetenschappen. We mogen hopen dat hun initiatief navolging zal krijgen.